dichtdoen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

dicht +‎ doen

Verb[edit]

dichtdoen (past singular deed dicht, past participle dichtgedaan)

  1. to close
    Wil jij de deur dichtdoen? — Would you close the door?
    Ik doe de deur dicht — I close the door.
    Ik heb het raam dichtgedaanI have closed the window

Synonyms[edit]

Conjugation[edit]

Anagrams[edit]