doodgaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Afrikaans[edit]

Etymology[edit]

From Dutch doodgaan.

Verb[edit]

doodgaan (present gaan dood, present participle doodganende, past participle doodgegaan)

  1. to die
    • 2013, Joanne Joseph, Dwelm Slagoffer, p. 132:
    Ek wil nie doodgaan nie! Kan jy my hoor? Ek sê ek wil nie doodgaan nie!
    I don't want to die! Can you hear me? I say I don't want to die!

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

doodgaan (past singular ging dood, past participle doodgegaan)

  1. To die.

Conjugation[edit]

Inflection of doodgaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive doodgaan
past singular ging dood
past participle doodgegaan
infinitive doodgaan
gerund doodgaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga dood ging dood doodga doodging
2nd person sing. (jij) gaat dood ging dood doodgaat doodging
2nd person sing. (u) gaat dood ging dood doodgaat doodging
2nd person sing. (gij) gaat dood gingt dood doodgaat doodgingt
3rd person singular gaat dood ging dood doodgaat doodging
plural gaan dood gingen dood doodgaan doodgingen
subjunctive sing.1 ga dood ginge dood doodga doodginge
subjunctive plur.1 gaan dood gingen dood doodgaan doodgingen
imperative sing. ga dood
imperative plur.1 gaat dood
participles doodgaand doodgegaan
1) Archaic.

Anagrams[edit]