gebruiken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From Middle Dutch gebruken, from Old Dutch *gibrūkan. Equivalent to modern ge- +‎ bruiken.

Verb[edit]

gebruiken

  1. (transitive) to use
Inflection[edit]
Inflection of gebruiken (weak, prefixed)
infinitive gebruiken
past singular gebruikte
past participle gebruikt
infinitive gebruiken
gerund gebruiken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular gebruik gebruikte
2nd person sing. (jij) gebruikt gebruikte
2nd person sing. (u) gebruikt gebruikte
2nd person sing. (gij) gebruikt gebruikte
3rd person singular gebruikt gebruikte
plural gebruiken gebruikten
subjunctive sing.1 gebruike gebruikte
subjunctive plur.1 gebruiken gebruikten
imperative sing. gebruik
imperative plur.1 gebruikt
participles gebruikend gebruikt
1) Archaic.
Derived terms[edit]

Etymology 2[edit]

Non-lemma forms.

Noun[edit]

gebruiken

  1. Plural form of gebruik