Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search




From Middle Dutch luusteren, luysteren, from Proto-Germanic *hlūstrēną (compare Low German lüstern, German (Swabian, Bavarian) laustern, West Frisian lústerje), frequentative of *hlūstaną (compare Swedish lysta), from *hlūstiz ‎(hearing), from Proto-Indo-European *ḱlusti (compare Sanskrit श्रुष्टि ‎(śruṣṭí, obedience)), from *ḱlew- ‎(to hear).


luisteren ‎(past singular luisterde, past participle geluisterd)

  1. to listen, obey, comply
    Luister je naar de radio? — Do you listen to the radio?
    Ja, ik luister ernaar. — Yes, I listen to it.
    Je moet naar me luisteren! — You need to listen to me!


Inflection of luisteren (weak)
infinitive luisteren
past singular luisterde
past participle geluisterd
infinitive luisteren
gerund luisteren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular luister luisterde
2nd person sing. (jij) luistert luisterde
2nd person sing. (u) luistert luisterde
2nd person sing. (gij) luistert luisterde
3rd person singular luistert luisterde
plural luisteren luisterden
subjunctive sing.1 luistere luisterde
subjunctive plur.1 luisteren luisterden
imperative sing. luister
imperative plur.1 luistert
participles luisterend geluisterd
1) Archaic.

Derived terms[edit]