neerdalen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

neerdalen

  1. (intransitive) to descend, to go down

Inflection[edit]

Inflection of neerdalen (weak, separable)
infinitive neerdalen
past singular daalde neer
past participle neergedaald
infinitive neerdalen
gerund neerdalen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular daal neer daalde neer neerdaal neerdaalde
2nd person sing. (jij) daalt neer daalde neer neerdaalt neerdaalde
2nd person sing. (u) daalt neer daalde neer neerdaalt neerdaalde
2nd person sing. (gij) daalt neer daalde neer neerdaalt neerdaalde
3rd person singular daalt neer daalde neer neerdaalt neerdaalde
plural dalen neer daalden neer neerdalen neerdaalden
subjunctive sing.1 dale neer daalde neer neerdale neerdaalde
subjunctive plur.1 dalen neer daalden neer neerdalen neerdaalden
imperative sing. daal neer
imperative plur.1 daalt neer
participles neerdalend neergedaald
1) Archaic.

Derived terms[edit]