omslaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

om +‎ slaan

Verb[edit]

omslaan

  1. (transitive) to turn over
    Zij sloeg de bladzijde om. — She turned the page.
  2. (intransitive) to turn, to change direction or disposition
    Het weer zal snel omslaan. — The weather will change quickly.
  3. (transitive) to knock over

Inflection[edit]

Inflection of omslaan (strong class 6, irregular, separable)
infinitive omslaan
past singular sloeg om
past participle omgeslagen
infinitive omslaan
gerund omslaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sla om sloeg om omsla omsloeg
2nd person sing. (jij) slaat om sloeg om omslaat omsloeg
2nd person sing. (u) slaat om sloeg om omslaat omsloeg
2nd person sing. (gij) slaat om sloegt om omslaat omsloegt
3rd person singular slaat om sloeg om omslaat omsloeg
plural slaan om sloegen om omslaan omsloegen
subjunctive sing.1 sla om sloege om omsla omsloege
subjunctive plur.1 slaan om sloegen om omslaan omsloegen
imperative sing. sla om
imperative plur.1 slaat om
participles omslaand omgeslagen
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]