ontberen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

PIE root
*bʰer-
EB1911 - Volume 01 - Page 001 - 1.svg This entry lacks etymological information. If you are familiar with the origin of this term, please add it to the page per etymology instructions.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

ontberen ‎(past singular ontbeerde, past participle ontbeerd)

  1. to lack

Conjugation[edit]

Inflection of ontberen (weak, prefixed)
infinitive ontberen
past singular ontbeerde
past participle ontbeerd
infinitive ontberen
gerund ontberen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ontbeer ontbeerde
2nd person sing. (jij) ontbeert ontbeerde
2nd person sing. (u) ontbeert ontbeerde
2nd person sing. (gij) ontbeert ontbeerde
3rd person singular ontbeert ontbeerde
plural ontberen ontbeerden
subjunctive sing.1 ontbere ontbeerde
subjunctive plur.1 ontberen ontbeerden
imperative sing. ontbeer
imperative plur.1 ontbeert
participles ontberend ontbeerd
1) Archaic.