ontberen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch ontbēren, ultimately from Proto-Germanic *beraną (to bear). Equivalent to ont- +‎ beren, see also baren.

Verb[edit]

ontberen

  1. to lack

Inflection[edit]

Inflection of ontberen (weak, prefixed)
infinitive ontberen
past singular ontbeerde
past participle ontbeerd
infinitive ontberen
gerund ontberen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ontbeer ontbeerde
2nd person sing. (jij) ontbeert ontbeerde
2nd person sing. (u) ontbeert ontbeerde
2nd person sing. (gij) ontbeert ontbeerde
3rd person singular ontbeert ontbeerde
plural ontberen ontbeerden
subjunctive sing.1 ontbere ontbeerde
subjunctive plur.1 ontberen ontbeerden
imperative sing. ontbeer
imperative plur.1 ontbeert
participles ontberend ontbeerd
1) Archaic.

Middle Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Old Dutch *antberan.

Verb[edit]

ontbēren

  1. to avoid doing
  2. to neglect, to put aside
  3. to lack

Inflection[edit]

This verb needs an inflection-table template.

Descendants[edit]

Further reading[edit]

  • ontberen (II)”, in Vroegmiddelnederlands Woordenboek, 2000
  • ontberen”, in Middelnederlandsch Woordenboek, 1929