opknappen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

opknappen

  1. (transitive) to overhaul, to renovate, to refurbish
  2. (transitive) to take care of (a job or task)
  3. (intransitive) to get better, to recuperate, to cheer up

Inflection[edit]

Inflection of opknappen (weak, separable)
infinitive opknappen
past singular knapte op
past participle opgeknapt
infinitive opknappen
gerund opknappen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular knap op knapte op opknap opknapte
2nd person sing. (jij) knapt op knapte op opknapt opknapte
2nd person sing. (u) knapt op knapte op opknapt opknapte
2nd person sing. (gij) knapt op knapte op opknapt opknapte
3rd person singular knapt op knapte op opknapt opknapte
plural knappen op knapten op opknappen opknapten
subjunctive sing.1 knappe op knapte op opknappe opknapte
subjunctive plur.1 knappen op knapten op opknappen opknapten
imperative sing. knap op
imperative plur.1 knapt op
participles opknappend opgeknapt
1) Archaic.

Anagrams[edit]