teruggaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From terug +‎ gaan.

Verb[edit]

teruggaan

  1. to return, go back

Inflection[edit]

Inflection of teruggaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive teruggaan
past singular ging terug
past participle teruggegaan
infinitive teruggaan
gerund teruggaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga terug ging terug terugga terugging
2nd person sing. (jij) gaat terug ging terug teruggaat terugging
2nd person sing. (u) gaat terug ging terug teruggaat terugging
2nd person sing. (gij) gaat terug gingt terug teruggaat teruggingt
3rd person singular gaat terug ging terug teruggaat terugging
plural gaan terug gingen terug teruggaan teruggingen
subjunctive sing.1 ga terug ginge terug terugga terugginge
subjunctive plur.1 gaan terug gingen terug teruggaan teruggingen
imperative sing. ga terug
imperative plur.1 gaat terug
participles teruggaand teruggegaan
1) Archaic.

Anagrams[edit]