toelaten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

toe- +‎ laten

Verb[edit]

toelaten

  1. to allow, tolerate.
  2. to admit, receive.

Inflection[edit]

Inflection of toelaten (strong class 7, separable)
infinitive toelaten
past singular liet toe
past participle toegelaten
infinitive toelaten
gerund toelaten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular laat toe liet toe toelaat toeliet
2nd person sing. (jij) laat toe liet toe toelaat toeliet
2nd person sing. (u) laat toe liet toe toelaat toeliet
2nd person sing. (gij) laat toe liet toe toelaat toeliet
3rd person singular laat toe liet toe toelaat toeliet
plural laten toe lieten toe toelaten toelieten
subjunctive sing.1 late toe liete toe toelate toeliete
subjunctive plur.1 laten toe lieten toe toelaten toelieten
imperative sing. laat toe
imperative plur.1 laat toe
participles toelatend toegelaten
1) Archaic.

Anagrams[edit]