uitblazen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From uit +‎ blazen.

Verb[edit]

uitblazen

  1. (transitive) To blow empty
  2. (transitive) To blow out, extinguish by breathing or draft
  3. (intransitive) To take a breather, rest to recuperate

Inflection[edit]

Inflection of uitblazen (strong class 7, separable)
infinitive uitblazen
past singular blies uit
past participle uitgeblazen
infinitive uitblazen
gerund uitblazen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular blaas uit blies uit uitblaas uitblies
2nd person sing. (jij) blaast uit blies uit uitblaast uitblies
2nd person sing. (u) blaast uit blies uit uitblaast uitblies
2nd person sing. (gij) blaast uit bliest uit uitblaast uitbliest
3rd person singular blaast uit blies uit uitblaast uitblies
plural blazen uit bliezen uit uitblazen uitbliezen
subjunctive sing.1 blaze uit blieze uit uitblaze uitblieze
subjunctive plur.1 blazen uit bliezen uit uitblazen uitbliezen
imperative sing. blaas uit
imperative plur.1 blaast uit
participles uitblazend uitgeblazen
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Related terms[edit]

Anagrams[edit]