uitdossen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From uit- 'out-, fully' + dos 'fur; (fanciful) costume/dress' + -en

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitdossen (past singular doste uit, past participle uitgedost)

  1. (transitive) To dress up, costume fancifully
  2. (figuratively, transitive) To ornate, dote etc.
  3. (reflexive) To wear fanciful costume

Derived terms[edit]

Conjugation[edit]

Inflection of uitdossen (weak, separable)
infinitive uitdossen
past singular doste uit
past participle uitgedost
infinitive uitdossen
gerund uitdossen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular dos uit doste uit uitdos uitdoste
2nd person sing. (jij) dost uit doste uit uitdost uitdoste
2nd person sing. (u) dost uit doste uit uitdost uitdoste
2nd person sing. (gij) dost uit doste uit uitdost uitdoste
3rd person singular dost uit doste uit uitdost uitdoste
plural dossen uit dosten uit uitdossen uitdosten
subjunctive sing.1 dosse uit doste uit uitdosse uitdoste
subjunctive plur.1 dossen uit dosten uit uitdossen uitdosten
imperative sing. dos uit
imperative plur.1 dost uit
participles uitdossend uitgedost
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]