verzaken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

verzaken ‎(past singular verzaakte, past participle verzaakt)

  1. To renounce
  2. neglect
  3. betray

Conjugation[edit]

Inflection of verzaken (weak, prefixed)
infinitive verzaken
past singular verzaakte
past participle verzaakt
infinitive verzaken
gerund verzaken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verzaak verzaakte
2nd person sing. (jij) verzaakt verzaakte
2nd person sing. (u) verzaakt verzaakte
2nd person sing. (gij) verzaakt verzaakte
3rd person singular verzaakt verzaakte
plural verzaken verzaakten
subjunctive sing.1 verzake verzaakte
subjunctive plur.1 verzaken verzaakten
imperative sing. verzaak
imperative plur.1 verzaakt
participles verzakend verzaakt
1) Archaic.