voegen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Old Dutch *fuogen, from Proto-Germanic *fōgijaną.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

voegen (past singular voegde, past participle gevoegd)

  1. to fit, to suit
    Dat voegt je niet.: That doesn't suit you.
  2. to place, to put
  3. to add
  4. to grout

Conjugation[edit]

Inflection of voegen (weak)
infinitive voegen
past singular voegde
past participle gevoegd
infinitive voegen
gerund voegen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular voeg voegde
2nd person sing. (jij) voegt voegde
2nd person sing. (u) voegt voegde
2nd person sing. (gij) voegt voegde
3rd person singular voegt voegde
plural voegen voegden
subjunctive sing.1 voege voegde
subjunctive plur.1 voegen voegden
imperative sing. voeg
imperative plur.1 voegt
participles voegend gevoegd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Noun[edit]

voegen

  1. Plural form of voeg