wijden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch wien, from Old Dutch wīen. Cognate with German weihen. The -d- is due to hypercorrection (regarding the frequent loss of intervocalic -d-).

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

wijden

  1. to dedicate
    Het Van Gogh Museum in Amsterdam is gewijd aan het werk van Van Gogh en zijn tijdgenoten.[1] — The Van Gogh Museum in Amsterdam is dedicated to the work of Van Gogh and his contemporaries.
  2. to inaugurate
  3. to bless, sanctify

Inflection[edit]

Inflection of wijden (weak)
infinitive wijden
past singular wijdde
past participle gewijd
infinitive wijden
gerund wijden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular wijd wijdde
2nd person sing. (jij) wijdt wijdde
2nd person sing. (u) wijdt wijdde
2nd person sing. (gij) wijdt wijdde
3rd person singular wijdt wijdde
plural wijden wijdden
subjunctive sing.1 wijde wijdde
subjunctive plur.1 wijden wijdden
imperative sing. wijd
imperative plur.1 wijdt
participles wijdend gewijd
1) Archaic.

Derived terms[edit]