zeggen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From Middle Dutch seggen, from Old Dutch *seggen, from Proto-Germanic *sagjaną, from Proto-Indo-European *sekʷ-. The irregular past tense is a common Ingvaeonic development of the northern dialects, seen also in brein and zeil.

Verb[edit]

zeggen

  1. (transitive) to say, tell
    Als je niets beters te zeggen hebt, zeg dan niets.
    If you have nothing better to say, then say nothing.
    Ik zei het je toch!
    I told you so!
    Ik heb het tegen hem gezegd.
    I told him.
Inflection[edit]

The irregular past tense is used in the Netherlands, while the weak past forms are used primarily in Flanders.

Inflection of zeggen (weak, irregular)
infinitive zeggen
past singular zei, zegde
past participle gezegd
infinitive zeggen
gerund zeggen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular zeg zei, zegde
2nd person sing. (jij) zegt zei, zegde
2nd person sing. (u) zegt zei, zegde
2nd person sing. (gij) zegt zeidt, zegde
3rd person singular zegt zei, zegde
plural zeggen zeiden, zegden
subjunctive sing.1 zegge zeide, zegde
subjunctive plur.1 zeggen zeiden, zegden
imperative sing. zeg
imperative plur.1 zegt
participles zeggend gezegd
1) Archaic.
Derived terms[edit]

Etymology 2[edit]

Non-lemma forms.

Noun[edit]

zeggen

  1. Plural form of zegge