aanmaken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

aanmaken ‎(past singular maakte aan, past participle aangemaakt)

  1. to create, to manufacture
    Hij heeft een profiel op Wiktionary aangemaakt. - He created a profile on Wiktionary.
  2. to prepare, to ready
    Sla aangemaakt met olie en azijn. - Lettuce prepared with oil and vinegar.
  3. to burn, to light (a fire)
    Gebruik de afzuigkap niet wanneer je de kachel aanmaakt. - Don't use the damper when you are lighting a fire in the stove.

Conjugation[edit]

Inflection of aanmaken (weak, separable)
infinitive aanmaken
past singular maakte aan
past participle aangemaakt
infinitive aanmaken
gerund aanmaken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak aan maakte aan aanmaak aanmaakte
2nd person sing. (jij) maakt aan maakte aan aanmaakt aanmaakte
2nd person sing. (u) maakt aan maakte aan aanmaakt aanmaakte
2nd person sing. (gij) maakt aan maakte aan aanmaakt aanmaakte
3rd person singular maakt aan maakte aan aanmaakt aanmaakte
plural maken aan maakten aan aanmaken aanmaakten
subjunctive sing.1 make aan maakte aan aanmake aanmaakte
subjunctive plur.1 maken aan maakten aan aanmaken aanmaakten
imperative sing. maak aan
imperative plur.1 maakt aan
participles aanmakend aangemaakt
1) Archaic.

Anagrams[edit]