aanzitten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ zitten

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aanzitten ‎(past singular zat aan, past participle aangezeten)

  1. to get ready to dine; to sit down at a table (to eat)
  2. to touch
    achter iets aanzitten: to go after something; to try to get something

Conjugation[edit]

Inflection of aanzitten (strong class 5, separable)
infinitive aanzitten
past singular zat aan
past participle aangezeten
infinitive aanzitten
gerund aanzitten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zit aan zat aan aanzit aanzat
2nd person sing. (jij) zit aan zat aan aanzit aanzat
2nd person sing. (u) zit aan zat aan aanzit aanzat
2nd person sing. (gij) zit aan zat aan aanzit aanzat
3rd person singular zit aan zat aan aanzit aanzat
plural zitten aan zaten aan aanzitten aanzaten
subjunctive sing.1 zitte aan zate aan aanzitte aanzate
subjunctive plur.1 zitten aan zaten aan aanzitten aanzaten
imperative sing. zit aan
imperative plur.1 zit aan
participles aanzittend aangezeten
1) Archaic.

Anagrams[edit]