bevrijden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From earlier bevrijen, from Middle Dutch bevrien. Equivalent to be- +‎ vrijen. The -d- is a hypercorrection, probably influenced by the past tense bevrijde.

Verb[edit]

bevrijden

  1. (transitive) to liberate, to free

Inflection[edit]

Inflection of bevrijden (weak, prefixed)
infinitive bevrijden
past singular bevrijdde
past participle bevrijd
infinitive bevrijden
gerund bevrijden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bevrijd bevrijdde
2nd person sing. (jij) bevrijdt bevrijdde
2nd person sing. (u) bevrijdt bevrijdde
2nd person sing. (gij) bevrijdt bevrijdde
3rd person singular bevrijdt bevrijdde
plural bevrijden bevrijdden
subjunctive sing.1 bevrijde bevrijdde
subjunctive plur.1 bevrijden bevrijdden
imperative sing. bevrijd
imperative plur.1 bevrijdt
participles bevrijdend bevrijd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]