bevrijden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch bevrīen, which is derived of the Middle Dutch adjective vrij (whence Dutch vrij ‎(free)). The -d- in front of the final -en is hypercorrect.[1]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bevrijden ‎(past singular bevrijdde, past participle bevrijd)

  1. to liberate; to free (up)

Conjugation[edit]

Inflection of bevrijden (weak, prefixed)
infinitive bevrijden
past singular bevrijdde
past participle bevrijd
infinitive bevrijden
gerund bevrijden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bevrijd bevrijdde
2nd person sing. (jij) bevrijdt bevrijdde
2nd person sing. (u) bevrijdt bevrijdde
2nd person sing. (gij) bevrijdt bevrijdde
3rd person singular bevrijdt bevrijdde
plural bevrijden bevrijdden
subjunctive sing.1 bevrijde bevrijdde
subjunctive plur.1 bevrijden bevrijdden
imperative sing. bevrijd
imperative plur.1 bevrijdt
participles bevrijdend bevrijd
1) Archaic.

Anagrams[edit]

References[edit]

  1. ^ J. de Vries & F. de Tollenaere, "Etymologisch Woordenboek", Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 1986 (14de druk)