binnenhalen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From binnen +‎ halen.

Verb[edit]

binnenhalen

  1. (transitive) to bring in
  2. (transitive, computing) to download

Inflection[edit]

Inflection of binnenhalen (weak, separable)
infinitive binnenhalen
past singular haalde binnen
past participle binnengehaald
infinitive binnenhalen
gerund binnenhalen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular haal binnen haalde binnen binnenhaal binnenhaalde
2nd person sing. (jij) haalt binnen haalde binnen binnenhaalt binnenhaalde
2nd person sing. (u) haalt binnen haalde binnen binnenhaalt binnenhaalde
2nd person sing. (gij) haalt binnen haalde binnen binnenhaalt binnenhaalde
3rd person singular haalt binnen haalde binnen binnenhaalt binnenhaalde
plural halen binnen haalden binnen binnenhalen binnenhaalden
subjunctive sing.1 hale binnen haalde binnen binnenhale binnenhaalde
subjunctive plur.1 halen binnen haalden binnen binnenhalen binnenhaalden
imperative sing. haal binnen
imperative plur.1 haalt binnen
participles binnenhalend binnengehaald
1) Archaic.

Anagrams[edit]