binnentrekken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From binnen +‎ trekken.

Verb[edit]

binnentrekken

  1. (transitive) to march in, to invade

Inflection[edit]

Inflection of binnentrekken (strong class 3, separable)
infinitive binnentrekken
past singular trok binnen
past participle binnengetrokken
infinitive binnentrekken
gerund binnentrekken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular trek binnen trok binnen binnentrek binnentrok
2nd person sing. (jij) trekt binnen trok binnen binnentrekt binnentrok
2nd person sing. (u) trekt binnen trok binnen binnentrekt binnentrok
2nd person sing. (gij) trekt binnen trokt binnen binnentrekt binnentrokt
3rd person singular trekt binnen trok binnen binnentrekt binnentrok
plural trekken binnen trokken binnen binnentrekken binnentrokken
subjunctive sing.1 trekke binnen trokke binnen binnentrekke binnentrokke
subjunctive plur.1 trekken binnen trokken binnen binnentrekken binnentrokken
imperative sing. trek binnen
imperative plur.1 trekt binnen
participles binnentrekkend binnengetrokken
1) Archaic.

Anagrams[edit]