gedragen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology 1[edit]

Verb[edit]

gedragen ‎(past singular gedroeg, past participle gedragen)

  1. (reflexive) To behave, to behave oneself.
Conjugation[edit]
Inflection of gedragen (strong class 6, prefixed)
infinitive gedragen
past singular gedroeg
past participle gedragen
infinitive gedragen
gerund gedragen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular gedraag gedroeg
2nd person sing. (jij) gedraagt gedroeg
2nd person sing. (u) gedraagt gedroeg
2nd person sing. (gij) gedraagt gedroegt
3rd person singular gedraagt gedroeg
plural gedragen gedroegen
subjunctive sing.1 gedrage gedroege
subjunctive plur.1 gedragen gedroegen
imperative sing. gedraag
imperative plur.1 gedraagt
participles gedragend gedragen
1) Archaic.
Related terms[edit]

Participle[edit]

gedragen

  1. past participle of gedragen
Declension[edit]

This participle needs an inflection-table template.

Declension[edit]

This participle needs an inflection-table template.

Etymology 2[edit]

Adjective[edit]

gedragen ‎(comparative gedragener, superlative gedragenst)

  1. worn
  2. solemn (tone)
Declension[edit]
Inflection of gedragen
uninflected gedragen
inflected gedragen
comparative gedragener
positive comparative superlative
predicative/adverbial gedragen gedragener het gedragenst
het gedragenste
indefinite m./f. sing. gedragen gedragener gedragenste
n. sing. gedragen gedragener gedragenste
plural gedragen gedragener gedragenste
definite gedragen gedragener gedragenste
partitive gedragens gedrageners

Participle[edit]

gedragen

  1. past participle of dragen
Declension[edit]
Inflection of gedragen
uninflected gedragen
inflected gedragen
comparative
positive
predicative/adverbial gedragen
indefinite m./f. sing. gedragen
n. sing. gedragen
plural gedragen
definite gedragen
partitive gedragens