huishouden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

  • (file)
  • Hyphenation: huis‧hou‧den

Etymology[edit]

From huis +‎ houden.

Verb[edit]

huishouden

  1. to do housekeeping; keep house
  2. (pejorative) to make a shambles

Inflection[edit]

Inflection of huishouden (strong class 7, slightly irregular, separable)
infinitive huishouden
past singular hield huis
past participle huisgehouden
infinitive huishouden
gerund huishouden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular hou huis, houd huis hield huis huishou, huishoud huishield
2nd person sing. (jij) houdt huis hield huis huishoudt huishield
2nd person sing. (u) houdt huis hield huis huishoudt huishield
2nd person sing. (gij) houdt huis hieldt huis huishoudt huishieldt
3rd person singular houdt huis hield huis huishoudt huishield
plural houden huis hielden huis huishouden huishielden
subjunctive sing.1 houde huis hielde huis huishoude huishielde
subjunctive plur.1 houden huis hielden huis huishouden huishielden
imperative sing. hou huis, houd huis
imperative plur.1 houdt huis
participles huishoudend huisgehouden
1) Archaic.

Noun[edit]

huishouden n ‎(plural huishoudens, diminutive huishoudentje n)

  1. housekeeping
  2. household

Anagrams[edit]