losmaken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

los + maken

Verb[edit]

losmaken

  1. to make loose
  2. to undo, unfasten

Inflection[edit]

Inflection of losmaken (weak, separable)
infinitive losmaken
past singular maakte los
past participle losgemaakt
infinitive losmaken
gerund losmaken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak los maakte los losmaak losmaakte
2nd person sing. (jij) maakt los maakte los losmaakt losmaakte
2nd person sing. (u) maakt los maakte los losmaakt losmaakte
2nd person sing. (gij) maakt los maakte los losmaakt losmaakte
3rd person singular maakt los maakte los losmaakt losmaakte
plural maken los maakten los losmaken losmaakten
subjunctive sing.1 make los maakte los losmake losmaakte
subjunctive plur.1 maken los maakten los losmaken losmaakten
imperative sing. maak los
imperative plur.1 maakt los
participles losmakend losgemaakt
1) Archaic.

Antonyms[edit]

Anagrams[edit]