toeslaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From toe +‎ slaan.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

toeslaan (past singular sloeg toe, past participle toegeslagen)

  1. to seize the chance (e.g. to strike), to take advantage of a situation
  2. to strike, to suddenly occur (said of a disaster or a disease)

Conjugation[edit]

Inflection of toeslaan (strong class 6, irregular, separable)
infinitive toeslaan
past singular sloeg toe
past participle toegeslagen
infinitive toeslaan
gerund toeslaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sla toe sloeg toe toesla toesloeg
2nd person sing. (jij) slaat toe sloeg toe toeslaat toesloeg
2nd person sing. (u) slaat toe sloeg toe toeslaat toesloeg
2nd person sing. (gij) slaat toe sloegt toe toeslaat toesloegt
3rd person singular slaat toe sloeg toe toeslaat toesloeg
plural slaan toe sloegen toe toeslaan toesloegen
subjunctive sing.1 sla toe sloege toe toesla toesloege
subjunctive plur.1 slaan toe sloegen toe toeslaan toesloegen
imperative sing. sla toe
imperative plur.1 slaat toe
participles toeslaand toegeslagen
1) Archaic.

Anagrams[edit]