uitlezen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From uit- +‎ lezen

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitlezen

  1. to read through, to read completely to the end
  2. to read out (e.g. a device)

Inflection[edit]

Inflection of uitlezen (strong class 5, separable)
infinitive uitlezen
past singular las uit
past participle uitgelezen
infinitive uitlezen
gerund uitlezen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular lees uit las uit uitlees uitlas
2nd person sing. (jij) leest uit las uit uitleest uitlas
2nd person sing. (u) leest uit las uit uitleest uitlas
2nd person sing. (gij) leest uit laast uit uitleest uitlaast
3rd person singular leest uit las uit uitleest uitlas
plural lezen uit lazen uit uitlezen uitlazen
subjunctive sing.1 leze uit laze uit uitleze uitlaze
subjunctive plur.1 lezen uit lazen uit uitlezen uitlazen
imperative sing. lees uit
imperative plur.1 leest uit
participles uitlezend uitgelezen
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]