voorbijkomen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From voorbij +‎ komen.

Verb[edit]

voorbijkomen

  1. to come past
  2. to drop by

Inflection[edit]

Inflection of voorbijkomen (strong class 4, irregular, separable)
infinitive voorbijkomen
past singular kwam voorbij
past participle voorbijgekomen
infinitive voorbijkomen
gerund voorbijkomen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kom voorbij kwam voorbij voorbijkom voorbijkwam
2nd person sing. (jij) komt voorbij kwam voorbij voorbijkomt voorbijkwam
2nd person sing. (u) komt voorbij kwam voorbij voorbijkomt voorbijkwam
2nd person sing. (gij) komt voorbij kwaamt voorbij voorbijkomt voorbijkwaamt
3rd person singular komt voorbij kwam voorbij voorbijkomt voorbijkwam
plural komen voorbij kwamen voorbij voorbijkomen voorbijkwamen
subjunctive sing.1 kome voorbij kwame voorbij voorbijkome voorbijkwame
subjunctive plur.1 komen voorbij kwamen voorbij voorbijkomen voorbijkwamen
imperative sing. kom voorbij
imperative plur.1 komt voorbij
participles voorbijkomend voorbijgekomen
1) Archaic.

Synonyms[edit]