vrijgeven

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

vrij +‎ geven

Verb[edit]

vrijgeven

  1. to release, to open
  2. to declassify, to make public

Inflection[edit]

Inflection of vrijgeven (strong class 5, separable)
infinitive vrijgeven
past singular gaf vrij
past participle vrijgegeven
infinitive vrijgeven
gerund vrijgeven n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular geef vrij gaf vrij vrijgeef vrijgaf
2nd person sing. (jij) geeft vrij gaf vrij vrijgeeft vrijgaf
2nd person sing. (u) geeft vrij gaf vrij vrijgeeft vrijgaf
2nd person sing. (gij) geeft vrij gaaft vrij vrijgeeft vrijgaaft
3rd person singular geeft vrij gaf vrij vrijgeeft vrijgaf
plural geven vrij gaven vrij vrijgeven vrijgaven
subjunctive sing.1 geve vrij gave vrij vrijgeve vrijgave
subjunctive plur.1 geven vrij gaven vrij vrijgeven vrijgaven
imperative sing. geef vrij
imperative plur.1 geeft vrij
participles vrijgevend vrijgegeven
1) Archaic.

Anagrams[edit]