aankomen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ komen.

Verb[edit]

aankomen

  1. (intransitive) to arrive
    Hij komt morgen aan op het vliegveld.
    He will arrive tomorrow at the airport.
    Synonyms: arriveren, bereiken
  2. (intransitive) to gain weight
    De kinderen waren belachelijk veel aangekomen tijdens de vakantie.
    The children had gained a ridiculous amount of weight during the holidays.
    Antonyms: afvallen
  3. (intransitive or impersonal) to depend [+ op (on)]
    Uiteindelijk kwam de wedstrijd toch op de nieuwe spits aan.
    In the end the match had to be decided by the new forward.
    Nu zal het op haar aankomen.
    Now it will depend on her.
    Synonyms: afhangen
  4. (intransitive, obsolete) to grow
    Synonyms: groeien, wassen
  5. (unaccusative, with indirect object, archaic) to be acquired

Inflection[edit]

Inflection of aankomen (strong class 4, irregular, separable)
infinitive aankomen
past singular kwam aan
past participle aangekomen
infinitive aankomen
gerund aankomen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kom aan kwam aan aankom aankwam
2nd person sing. (jij) komt aan kwam aan aankomt aankwam
2nd person sing. (u) komt aan kwam aan aankomt aankwam
2nd person sing. (gij) komt aan kwaamt aan aankomt aankwaamt
3rd person singular komt aan kwam aan aankomt aankwam
plural komen aan kwamen aan aankomen aankwamen
subjunctive sing.1 kome aan kwame aan aankome aankwame
subjunctive plur.1 komen aan kwamen aan aankomen aankwamen
imperative sing. kom aan
imperative plur.1 komt aan
participles aankomend aangekomen
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]