aanschuiven

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ schuiven.

Verb[edit]

aanschuiven

  1. (ergative) to shove closer (a chair to a table in order to eat for example)
  2. (intransitive) to shuffle or move a member back to the group they belong to

Inflection[edit]

Inflection of aanschuiven (strong class 2, separable)
infinitive aanschuiven
past singular schoof aan
past participle aangeschoven
infinitive aanschuiven
gerund aanschuiven n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular schuif aan schoof aan aanschuif aanschoof
2nd person sing. (jij) schuift aan schoof aan aanschuift aanschoof
2nd person sing. (u) schuift aan schoof aan aanschuift aanschoof
2nd person sing. (gij) schuift aan schooft aan aanschuift aanschooft
3rd person singular schuift aan schoof aan aanschuift aanschoof
plural schuiven aan schoven aan aanschuiven aanschoven
subjunctive sing.1 schuive aan schove aan aanschuive aanschove
subjunctive plur.1 schuiven aan schoven aan aanschuiven aanschoven
imperative sing. schuif aan
imperative plur.1 schuift aan
participles aanschuivend aangeschoven
1) Archaic.