aanwijzen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ wijzen.

Verb[edit]

aanwijzen

  1. (transitive) to point at
  2. (transitive) to point out, indicate
  3. (transitive) to appoint, designate

Inflection[edit]

Inflection of aanwijzen (strong class 1, separable)
infinitive aanwijzen
past singular wees aan
past participle aangewezen
infinitive aanwijzen
gerund aanwijzen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular wijs aan wees aan aanwijs aanwees
2nd person sing. (jij) wijst aan wees aan aanwijst aanwees
2nd person sing. (u) wijst aan wees aan aanwijst aanwees
2nd person sing. (gij) wijst aan weest aan aanwijst aanweest
3rd person singular wijst aan wees aan aanwijst aanwees
plural wijzen aan wezen aan aanwijzen aanwezen
subjunctive sing.1 wijze aan weze aan aanwijze aanweze
subjunctive plur.1 wijzen aan wezen aan aanwijzen aanwezen
imperative sing. wijs aan
imperative plur.1 wijst aan
participles aanwijzend aangewezen
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]