beschieten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

beschieten ‎(past singular beschoot, past participle beschoten)

  1. to shoot at, to fire at

Conjugation[edit]

Inflection of beschieten (strong class 2, prefixed)
infinitive beschieten
past singular beschoot
past participle beschoten
infinitive beschieten
gerund beschieten n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beschiet beschoot
2nd person sing. (jij) beschiet beschoot
2nd person sing. (u) beschiet beschoot
2nd person sing. (gij) beschiet beschoot
3rd person singular beschiet beschoot
plural beschieten beschoten
subjunctive sing.1 beschiete beschote
subjunctive plur.1 beschieten beschoten
imperative sing. beschiet
imperative plur.1 beschiet
participles beschietend beschoten
1) Archaic.

Related terms[edit]