doceren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Latin

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

doceren ‎(past singular doceerde, past participle gedoceerd)

  1. to teach, to instruct

Conjugation[edit]

Inflection of doceren (weak)
infinitive doceren
past singular doceerde
past participle gedoceerd
infinitive doceren
gerund doceren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular doceer doceerde
2nd person sing. (jij) doceert doceerde
2nd person sing. (u) doceert doceerde
2nd person sing. (gij) doceert doceerde
3rd person singular doceert doceerde
plural doceren doceerden
subjunctive sing.1 docere doceerde
subjunctive plur.1 doceren doceerden
imperative sing. doceer
imperative plur.1 doceert
participles docerend gedoceerd
1) Archaic.

Synonyms[edit]