maren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search
See also: Maren

Danish[edit]

Noun[edit]

maren c

  1. singular definite of mare

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From Middle Dutch maren, from Old Dutch *māren, from Proto-Germanic *mērijaną. Cognate with Old High German māren. Related to mare.

Verb[edit]

maren ‎(past singular maarde, past participle gemaard)

  1. to announce, to make known
Conjugation[edit]
Inflection of maren (weak)
infinitive maren
past singular maarde
past participle gemaard
infinitive maren
gerund maren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular maar maarde
2nd person sing. (jij) maart maarde
2nd person sing. (u) maart maarde
2nd person sing. (gij) maart maarde
3rd person singular maart maarde
plural maren maarden
subjunctive sing.1 mare maarde
subjunctive plur.1 maren maarden
imperative sing. maar
imperative plur.1 maart
participles marend gemaard
1) Archaic.
Related terms[edit]

Etymology 2[edit]

From maar ‎(but).

Verb[edit]

maren ‎(past singular maarde, past participle gemaard)

  1. (informal) to say "but", to protest
Conjugation[edit]
Inflection of maren (weak)
infinitive maren
past singular maarde
past participle gemaard
infinitive maren
gerund maren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular maar maarde
2nd person sing. (jij) maart maarde
2nd person sing. (u) maart maarde
2nd person sing. (gij) maart maarde
3rd person singular maart maarde
plural maren maarden
subjunctive sing.1 mare maarde
subjunctive plur.1 maren maarden
imperative sing. maar
imperative plur.1 maart
participles marend gemaard
1) Archaic.

Volapük[edit]

Noun[edit]

maren ‎(plural marens)

  1. navy

Declension[edit]