opkijken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

op 'up(ward)' + kijken 'to look, watch'

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

opkijken ‎(past singular keek op, past participle opgekeken)

(intransitive)

  1. (literally) To look (in an) up(ward manner); to lift one's eyes
  2. (figuratively) (used with 'naar ...': to ...) To admire, respect, look up to someone in a higher position

Conjugation[edit]

Inflection of opkijken (strong class 1, separable)
infinitive opkijken
past singular keek op
past participle opgekeken
infinitive opkijken
gerund opkijken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kijk op keek op opkijk opkeek
2nd person sing. (jij) kijkt op keek op opkijkt opkeek
2nd person sing. (u) kijkt op keek op opkijkt opkeek
2nd person sing. (gij) kijkt op keekt op opkijkt opkeekt
3rd person singular kijkt op keek op opkijkt opkeek
plural kijken op keken op opkijken opkeken
subjunctive sing.1 kijke op keke op opkijke opkeke
subjunctive plur.1 kijken op keken op opkijken opkeken
imperative sing. kijk op
imperative plur.1 kijkt op
participles opkijkend opgekeken
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Antonyms[edit]

Derived terms[edit]

Related terms[edit]

Anagrams[edit]