pijpen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

pijpen

  1. Plural form of pijp

Verb[edit]

pijpen ‎(past singular pijpte, past participle gepijpt)

  1. to whistle; to hum; to blow (as in to play a wind instrument)
    Naar iemands pijpen dansen. - (litt. To dance after someone's piping.) To do as one is told.
  2. (colloquial) to fellate, to blow, to suck
    Pijp m'n stijve
    Suck my stiffy

Conjugation[edit]

Inflection of pijpen (weak)
infinitive pijpen
past singular pijpte
past participle gepijpt
infinitive pijpen
gerund pijpen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular pijp pijpte
2nd person sing. (jij) pijpt pijpte
2nd person sing. (u) pijpt pijpte
2nd person sing. (gij) pijpt pijpte
3rd person singular pijpt pijpte
plural pijpen pijpten
subjunctive sing.1 pijpe pijpte
subjunctive plur.1 pijpen pijpten
imperative sing. pijp
imperative plur.1 pijpt
participles pijpend gepijpt
1) Archaic.

Synonyms[edit]