tuigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From tuig +‎ -en.

Verb[edit]

tuigen

  1. (transitive) to rig (a sailing ship)
  2. (transitive) to harness, to put a harness on

Inflection[edit]

Inflection of tuigen (weak)
infinitive tuigen
past singular tuigde
past participle getuigd
infinitive tuigen
gerund tuigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular tuig tuigde
2nd person sing. (jij) tuigt tuigde
2nd person sing. (u) tuigt tuigde
2nd person sing. (gij) tuigt tuigde
3rd person singular tuigt tuigde
plural tuigen tuigden
subjunctive sing.1 tuige tuigde
subjunctive plur.1 tuigen tuigden
imperative sing. tuig
imperative plur.1 tuigt
participles tuigend getuigd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Etymology 2[edit]

From Middle Dutch tugen, from Old Dutch *tiugon.

Verb[edit]

tuigen

  1. (transitive, obsolete) to declare officially, to testify
Inflection[edit]
Inflection of tuigen (weak)
infinitive tuigen
past singular tuigde
past participle getuigd
infinitive tuigen
gerund tuigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular tuig tuigde
2nd person sing. (jij) tuigt tuigde
2nd person sing. (u) tuigt tuigde
2nd person sing. (gij) tuigt tuigde
3rd person singular tuigt tuigde
plural tuigen tuigden
subjunctive sing.1 tuige tuigde
subjunctive plur.1 tuigen tuigden
imperative sing. tuig
imperative plur.1 tuigt
participles tuigend getuigd
1) Archaic.
Derived terms[edit]

Etymology 3[edit]

Non-lemma forms.

Noun[edit]

tuigen

  1. Plural form of tuig