getuigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch getugen, from Old Dutch *gitiugon, from a hypothetical *(gi)tiugi, derived from Proto-Germanic *teuhaną.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

getuigen ‎(past singular getuigde, past participle getuigd)

  1. (intransitive) To testify, bear witness, give testimony, especially in court
    Getuigen van Jehova kloppen overal aan om te getuigen van Gods woord
    Jehova's Witnesses knock on every door to bear witness of God's Word
  2. (transitive) To prove, make apparent

Conjugation[edit]

Inflection of getuigen (weak, prefixed)
infinitive getuigen
past singular getuigde
past participle getuigd
infinitive getuigen
gerund getuigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular getuig getuigde
2nd person sing. (jij) getuigt getuigde
2nd person sing. (u) getuigt getuigde
2nd person sing. (gij) getuigt getuigde
3rd person singular getuigt getuigde
plural getuigen getuigden
subjunctive sing.1 getuige getuigde
subjunctive plur.1 getuigen getuigden
imperative sing. getuig
imperative plur.1 getuigt
participles getuigend getuigd
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Derived terms[edit]

Noun[edit]

getuigen

  1. Plural form of getuige