vastleggen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

vast + leggen

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

vastleggen ‎(past singular legde vast, past participle vastgelegd)

  1. to moor, fasten
  2. to set out, specify
    Deelstaten hebben een eigen parlement en regering, en zijn bevoegd voor bepaalde materies, die meestal in de grondwet van de unie zijn vastgelegd. — States [of a federation] have their own parliament and government, and are qualified for certain matters, that are for the most part specified in the union's constitution.
  3. to program, calendar

Conjugation[edit]

Inflection of vastleggen (weak, separable)
infinitive vastleggen
past singular legde vast
past participle vastgelegd
infinitive vastleggen
gerund vastleggen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular leg vast legde vast vastleg vastlegde
2nd person sing. (jij) legt vast legde vast vastlegt vastlegde
2nd person sing. (u) legt vast legde vast vastlegt vastlegde
2nd person sing. (gij) legt vast legde vast vastlegt vastlegde
3rd person singular legt vast legde vast vastlegt vastlegde
plural leggen vast legden vast vastleggen vastlegden
subjunctive sing.1 legge vast legde vast vastlegge vastlegde
subjunctive plur.1 leggen vast legden vast vastleggen vastlegden
imperative sing. leg vast
imperative plur.1 legt vast
participles vastleggend vastgelegd
1) Archaic.

Anagrams[edit]