aanhalen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

aan (preposition, used in various senses) + halen 'to get, bring, fetch'

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aanhalen ‎(past singular haalde aan, past participle aangehaald)

  1. (transitive) To bring closer physically, notably:
    1. To fetch, carry
    2. To tighten
    3. To pull or haul in
    4. To magnify
  2. (transitive, figuratively) To get closer emotionally, notably:
    1. To tighten bonds
    2. To bring onto oneself
  3. (transitive, figuratively) To (make or use a) quote
  4. (transitive, figuratively) To invoke (an argument)
  5. (transitive, figuratively) To seize (goods), not necessarily followed by confiscation
  6. (transitive, figuratively) To (ear/check)mark as with a dot

Conjugation[edit]

Inflection of aanhalen (weak, separable)
infinitive aanhalen
past singular haalde aan
past participle aangehaald
infinitive aanhalen
gerund aanhalen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular haal aan haalde aan aanhaal aanhaalde
2nd person sing. (jij) haalt aan haalde aan aanhaalt aanhaalde
2nd person sing. (u) haalt aan haalde aan aanhaalt aanhaalde
2nd person sing. (gij) haalt aan haalde aan aanhaalt aanhaalde
3rd person singular haalt aan haalde aan aanhaalt aanhaalde
plural halen aan haalden aan aanhalen aanhaalden
subjunctive sing.1 hale aan haalde aan aanhale aanhaalde
subjunctive plur.1 halen aan haalden aan aanhalen aanhaalden
imperative sing. haal aan
imperative plur.1 haalt aan
participles aanhalend aangehaald
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Derived terms[edit]

Related terms[edit]

Anagrams[edit]