aanliggen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aanliggen ‎(past singular lag aan, past participle aangelegen)

  1. To lie or stand against something else.
    De groene blaadjes die tegen deze bloemhoofdjes aanliggen zijn dan ook geen kelkbladen maar omwindselblaadjes.
  2. (navigation) To be on course.

Conjugation[edit]

Inflection of aanliggen (strong class 5, separable)
infinitive aanliggen
past singular lag aan
past participle aangelegen
infinitive aanliggen
gerund aanliggen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular lig aan lag aan aanlig aanlag
2nd person sing. (jij) ligt aan lag aan aanligt aanlag
2nd person sing. (u) ligt aan lag aan aanligt aanlag
2nd person sing. (gij) ligt aan laagt aan aanligt aanlaagt
3rd person singular ligt aan lag aan aanligt aanlag
plural liggen aan lagen aan aanliggen aanlagen
subjunctive sing.1 ligge aan lage aan aanligge aanlage
subjunctive plur.1 liggen aan lagen aan aanliggen aanlagen
imperative sing. lig aan
imperative plur.1 ligt aan
participles aanliggend aangelegen
1) Archaic.

Anagrams[edit]