aanzetten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

aan- +‎ zetten

Pronunciation[edit]

  • Netherlands: [ˈanzɛtə]
  • Limburg: [ˈaːnzɛtə]
  • (file)

Hyphenation: aan‧zet‧ten

Verb[edit]

aanzetten ‎(past singular zette aan, past participle aangezet)

  1. to start, switch on
  2. to urge, incite
  3. to set
  4. to stress
  5. to put on to
  6. to stick, catch

Conjugation[edit]

Inflection of aanzetten (weak, separable)
infinitive aanzetten
past singular zette aan
past participle aangezet
infinitive aanzetten
gerund aanzetten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zet aan zette aan aanzet aanzette
2nd person sing. (jij) zet aan zette aan aanzet aanzette
2nd person sing. (u) zet aan zette aan aanzet aanzette
2nd person sing. (gij) zet aan zette aan aanzet aanzette
3rd person singular zet aan zette aan aanzet aanzette
plural zetten aan zetten aan aanzetten aanzetten
subjunctive sing.1 zette aan zette aan aanzette aanzette
subjunctive plur.1 zetten aan zetten aan aanzetten aanzetten
imperative sing. zet aan
imperative plur.1 zet aan
participles aanzettend aangezet
1) Archaic.

Anagrams[edit]