afspelen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

afspelen ‎(past singular speelde af, past participle afgespeeld)

  1. To play (to the end) a device to hear/see a recording
  2. (reflexive: zich afspelen) To happen, be set in a certain context

Conjugation[edit]

Inflection of afspelen (weak, separable)
infinitive afspelen
past singular speelde af
past participle afgespeeld
infinitive afspelen
gerund afspelen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular speel af speelde af afspeel afspeelde
2nd person sing. (jij) speelt af speelde af afspeelt afspeelde
2nd person sing. (u) speelt af speelde af afspeelt afspeelde
2nd person sing. (gij) speelt af speelde af afspeelt afspeelde
3rd person singular speelt af speelde af afspeelt afspeelde
plural spelen af speelden af afspelen afspeelden
subjunctive sing.1 spele af speelde af afspele afspeelde
subjunctive plur.1 spelen af speelden af afspelen afspeelden
imperative sing. speel af
imperative plur.1 speelt af
participles afspelend afgespeeld
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Anagrams[edit]