grootbrengen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

Germanic, from groot 'big, great, adult' + brengen 'to bring'

Verb[edit]

grootbrengen

  1. (transitive, literally) To raise, bring up (a) young(ster)(s), from infancy to maturity
  2. (transitive, figuratively) To educate, rear, school, coach etc. offspring or other young charges on the path to adult life
  3. the passive grootgebracht worden means to grow up, mature (to majority)

Inflection[edit]

Inflection of grootbrengen (weak with past in -cht, separable)
infinitive grootbrengen
past singular bracht groot
past participle grootgebracht
infinitive grootbrengen
gerund grootbrengen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular breng groot bracht groot grootbreng grootbracht
2nd person sing. (jij) brengt groot bracht groot grootbrengt grootbracht
2nd person sing. (u) brengt groot bracht groot grootbrengt grootbracht
2nd person sing. (gij) brengt groot bracht groot grootbrengt grootbracht
3rd person singular brengt groot bracht groot grootbrengt grootbracht
plural brengen groot brachten groot grootbrengen grootbrachten
subjunctive sing.1 brenge groot brachte groot grootbrenge grootbrachte
subjunctive plur.1 brengen groot brachten groot grootbrengen grootbrachten
imperative sing. breng groot
imperative plur.1 brengt groot
participles grootbrengend grootgebracht
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Related terms[edit]

Anagrams[edit]