staken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search
See also: stäken

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

staken

  1. (intransitive) to strike, go on a strike
  2. (transitive) to suspend
    Zo kondigde de ETA aan de gewapende strijd te staken als de Spaanse regering de soevereiniteit en het zelfbeschikkingsrecht van de Basken zou erkennen[1] — So the ETA announced that it would suspend its armed conflict if the Spanish government would recognize the sovereignty and the right to self-determination of the Basques.

Inflection[edit]

Inflection of staken (weak)
infinitive staken
past singular staakte
past participle gestaakt
infinitive staken
gerund staken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular staak staakte
2nd person sing. (jij) staakt staakte
2nd person sing. (u) staakt staakte
2nd person sing. (gij) staakt staakte
3rd person singular staakt staakte
plural staken staakten
subjunctive sing.1 stake staakte
subjunctive plur.1 staken staakten
imperative sing. staak
imperative plur.1 staakt
participles stakend gestaakt
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Verb[edit]

staken

  1. plural past indicative and subjunctive of steken

Anagrams[edit]


German[edit]

Verb[edit]

staken

  1. First-person plural preterite of stecken.
  2. Third-person plural preterite of stecken.

Swedish[edit]

Noun[edit]

staken

  1. definite singular of stake