verkopen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search
See also: verköpen

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

ver- +‎ kopen. Cognate with Low German verköpen, German verkaufen.

Verb[edit]

verkopen

  1. to sell

Inflection[edit]

Inflection of verkopen (weak with past in -cht, prefixed)
infinitive verkopen
past singular verkocht
past participle verkocht
infinitive verkopen
gerund verkopen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verkoop verkocht
2nd person sing. (jij) verkoopt verkocht
2nd person sing. (u) verkoopt verkocht
2nd person sing. (gij) verkoopt verkocht
3rd person singular verkoopt verkocht
plural verkopen verkochten
subjunctive sing.1 verkope verkochte
subjunctive plur.1 verkopen verkochten
imperative sing. verkoop
imperative plur.1 verkoopt
participles verkopend verkocht
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Related terms[edit]

Noun[edit]

verkopen

  1. Plural form of verkoop