Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search



From Middle Dutch swaer, from Old Dutch *swār, *swāri, from Proto-Germanic *swēraz, *swēriz. Compare English sweer and swear.



zwaar (comparative zwaarder, superlative zwaarst)

  1. heavy, hefty
    de zware industrie: heavy industry
    zwaar geschut: heavy artillery
  2. strong physically
    een zwaar lichaam: a strong body
  3. (of intoxicants) strong, potent
    half zware shag: semi-coarse shredded tobacco
  4. big, sizeable
    zware jongens: thugs (especially referring to the Beagle Boys)
  5. difficult, hard
    een zware taak: a difficult task
  6. arduous, gruelling
  7. important, significant
    een zware delegatie: an important delegate


Inflection of zwaar
uninflected zwaar
inflected zware
comparative zwaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial zwaar zwaarder het zwaarst
het zwaarste
indefinite m./f. sing. zware zwaardere zwaarste
n. sing. zwaar zwaarder zwaarste
plural zware zwaardere zwaarste
definite zware zwaardere zwaarste
partitive zwaars zwaarders


Derived terms[edit]