bekeren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology 1[edit]

be- +‎ keren

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bekeren (past singular bekeerde, past participle bekeerd)

  1. to convert (e.g. religion)
    Vanaf de 5e eeuw stak een deel van de Saksen het Kanaal over en viel Brittannië binnen, samen met de Angelen, Friezen en de Juten. De achtergebleven Saksen in Duitsland hielden nog lang vast aan hun oorspronkelijke religie, maar werden door de Franken onder leiding van Karel de Grote tijdens de Saksenoorlogen met geweld bekeerd tot het christendom en ingelijfd bij het Frankische Rijk.[1] — From the fifth century, part of the Saxons crossed the Canal and fell upon Britain, together with the Angles, Frisians and the Jutes. The remaining Saxons in Germany held long fast to their original religion, but were converted to Christendom through violence during the Saxon wars by the Franks under the leadership of Charlemagne, and they were incorporated into the Frankish Kingdom.
Conjugation[edit]
Inflection of bekeren (weak, prefixed)
infinitive bekeren
past singular bekeerde
past participle bekeerd
infinitive bekeren
gerund bekeren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bekeer bekeerde
2nd person sing. (jij) bekeert bekeerde
2nd person sing. (u) bekeert bekeerde
2nd person sing. (gij) bekeert bekeerde
3rd person singular bekeert bekeerde
plural bekeren bekeerden
subjunctive sing.1 bekere bekeerde
subjunctive plur.1 bekeren bekeerden
imperative sing. bekeer
imperative plur.1 bekeert
participles bekerend bekeerd
1) Archaic.

Etymology 2[edit]

From beker (cup).

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bekeren (past singular bekerde, past participle gebekerd)

  1. to participate in a cup match
Conjugation[edit]
Inflection of bekeren (weak)
infinitive bekeren
past singular bekerde
past participle gebekerd
infinitive bekeren
gerund bekeren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beker bekerde
2nd person sing. (jij) bekert bekerde
2nd person sing. (u) bekert bekerde
2nd person sing. (gij) bekert bekerde
3rd person singular bekert bekerde
plural bekeren bekerden
subjunctive sing.1 bekere bekerde
subjunctive plur.1 bekeren bekerden
imperative sing. beker
imperative plur.1 bekert
participles bekerend gebekerd
1) Archaic.

Anagrams[edit]