bewerkstelligen

From Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

Borrowed from German bewerkstelligen. Equivalent to werkstellig +‎ be- -en.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /bəˈʋɛrkstɛləɣə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: be‧werk‧stel‧li‧gen

Verb[edit]

bewerkstelligen

  1. (transitive) to bring about, to realize
    Synonyms: realiseren, teweegbrengen

Inflection[edit]

Inflection of bewerkstelligen (weak, prefixed)
infinitive bewerkstelligen
past singular bewerkstelligde
past participle bewerkstelligd
infinitive bewerkstelligen
gerund bewerkstelligen n
present tense past tense
1st person singular bewerkstellig bewerkstelligde
2nd person sing. (jij) bewerkstelligt bewerkstelligde
2nd person sing. (u) bewerkstelligt bewerkstelligde
2nd person sing. (gij) bewerkstelligt bewerkstelligde
3rd person singular bewerkstelligt bewerkstelligde
plural bewerkstelligen bewerkstelligden
subjunctive sing.1 bewerkstellige bewerkstelligde
subjunctive plur.1 bewerkstelligen bewerkstelligden
imperative sing. bewerkstellig
imperative plur.1 bewerkstelligt
participles bewerkstelligend bewerkstelligd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Descendants[edit]

  • Afrikaans: bewerkstellig

German[edit]

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): [bəˈvɛʁkʃtɛliɡn̩], /bəˈvɛʁkʃtɛliɡən/
  • (file)

Verb[edit]

bewerkstelligen (weak, third-person singular present bewerkstelligt, past tense bewerkstelligte, past participle bewerkstelligt, auxiliary haben)

  1. (transitive, something difficult) to bring about, realize

Conjugation[edit]

Descendants[edit]

Further reading[edit]