gebieden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From Middle Dutch gebieden, from Old Dutch gebiodan. Equivalent to ge- +‎ bieden.

Verb[edit]

gebieden

  1. (transitive) to command, order
  2. (intransitive) to be in command
Inflection[edit]
Inflection of gebieden (strong class 2, prefixed)
infinitive gebieden
past singular gebood
past participle geboden
infinitive gebieden
gerund gebieden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular gebied gebood
2nd person sing. (jij) gebiedt gebood
2nd person sing. (u) gebiedt gebood
2nd person sing. (gij) gebiedt geboodt
3rd person singular gebiedt gebood
plural gebieden geboden
subjunctive sing.1 gebiede gebode
subjunctive plur.1 gebieden geboden
imperative sing. gebied
imperative plur.1 gebiedt
participles gebiedend geboden
1) Archaic.
Synonyms[edit]

(order):

(be in command):

Antonyms[edit]

Derived terms[edit]

Related terms[edit]

Etymology 2[edit]

Non-lemma forms.

Noun[edit]

gebieden

  1. Plural form of gebied

Anagrams[edit]